Home
Wat is trombose
Trombose arm
Trombose behandelingen
Gevolgen van een trombose
Trombosebeen behandelingen
Trombosebeen voor Professionals
Alles over een Trombosebeen
Behandelingen

In principe verschilt de behandeling van een trombosearm in de eerste instantie niet heel veel van een trombosebeen. De behandeling is gericht op het voorkomen van stolsel uitbreiding en het voorkomen van longemboliëen. Dit gebeurt door direct te starten met bloedverdunning, meestal met laag moleculaire heparines, ook wel afgekort als LMWH.
 
Men kan er ook voor kiezen om het stolsel zo snel mogelijk actief op te lossen, bij voorbeeld met de ultrageluid geaccelereerde katheter geleidde trombolyse, gecombineerd met bloedstolseloplossende medicijnen zoals urokinase of medikinase. Hoe eerder men het stolsel op kan lossen des te kleiner is het risico op het post-trombotisch syndroom. Ook kan men er voor kiezen om de arm in de acute fase van de trombose te zwachtelen om zo de zwelling tegen te gaan. Zie voor meer informatie over de verschillende behandelingen en hoe ze werken het kopje “Behandelingen”.

Het grootste verschil in de behandeling komt daarna pas, wanneer de opening tussen het sleutelbeen en de 1e  rib vernauwd is moet deze opening vergroot worden. Zolang hier een vernauwing bestaat is er een grote kans dat de trombose terugkeert. Dit is echter slechts bij een minderheid van de trombosearmen van toepassing.

Nadat het stolsel in de arm ader opgelost is is het belangrijk om zo snel mogelijk de vernauwde doorgang te behandelen, dit wordt middels een zogenaamde 1e-rib resectie gedaan. Hierbij wordt chirurgisch de 1e rib weggehaald, waarna de doorgang weer ruim genoeg is.

Het kan voorkomen dat de ader daarna nog steeds vernauwd is, deze kan dan opgerekt worden met een ballon. Vervolgens dient men een stent in de ader te plaatsen om te zorgen dat deze niet meer kan vernauwen. Ook het optreden van post trombotisch syndroom is een reden om ver na het optreden van de originele trombose nog een stent te plaatsen en de 1e rib te verwijderen.

Wetenschappelijk is er echter nog weinig bekent over stentplaatsing bij armtrombose, omdat trombose in de arm op basis van een vernauwde opening in de borstkas niet zo vaak voorkomt. Ook de constante ontwikkeling op het gebied van stents speelt hier mee, de laatste jaren zijn er nieuwe en flexibelere stents op de markt gekomen die veelbelovend lijken te zijn.

Voorheen plaatste men liever geen stent omdat deze vaak niet bestand waren tegen het constante buigen van de arm en stuk gingen. Tegenwoordig weten we dat zelfs al is de ader weer open, we altijd de 1e rib moeten verwijderen bij het plaatsen van een stent, ook al is de bloedtoevoer weer helemaal hersteld. Dit doen we om te voorkomen dat de stent herhaaldelijk tussen de 1e rib en het sleutelbeen wordt platgedrukt en alsnog stuk gaat.

DCoP